Kousen

Bij de heer gaat het alleen om de bovenkleding. Hij draagt lange kousen met ingebreid kabelmotief. Bij de gewone man zijn ze blauw (geen felle kleur), terwijl de voornamere personen witte kousen dragen. Die kleur heeft dus niets te maken met de evt. ongehuwde staat van de koetsier. De heer draagt eenvoudige zwarte leren schoenen (naar antiek model uit ca. 1860) met een zilveren gesp en een speciale sluiting.

Overhemd

Het katoenen overhemd van de heer is wit en aan de voorkant voorzien van vele "naaldplooitjes" die alleen met behulp van stijfsel en secuur strijkwerk in model gebracht worden. De kraag staat omhoog en daar omheen een driehoekige witte katoenen halsdoek die gevouwen wordt, waarna er een platte knoop in gelegd wordt. De mouwen zijn tamelijk wijd. Op ca. 10 cm. afstand van de manchetten zorgen naaldplooitjes erfvoor dat de mouw smaller wordt. Uiteraard mogen gouden of zilveren manchetknopen niet ontbreken. Er gelden geen speciale regels voor de vormgeving van die manchetknopen.

Broek

De broek, een wijde kuitbroek met een klep, is gemaakt van zwart fluweel. Op de rand bij de kuit prijken twee of drie zilveren knopen. Ook daarvoor bestaan geen voorschriften. De broek wordt opgehouden door een brede tailleband, ook weer van zwart fluweel. Daaraan zitten middenvoor twee zwarte, dus beslist geen zilveren, knopen boven elkaar. De onderste heeft er nog een taak bij: het omhoog houden van de klep. Daarvoor dienen ook twee andere knopen die links en rechts op de tailleband bevestigd zijn. De broek heeft rechts een klein zakje voor het zakhorloge.

Vest

Over het overhemd wordt een vest gedragen met een shawlkraag. Er mogen verschillende kleuren gebruikt worden en het hoeft ook niet effen te zijn, maar de kleur moet wel goed passen bij de kleding van de dame. Als de kleur dan ook nog goed combineert met de kleuren van de sjees, dan is het helemaal prima. Het vest heeft één of twee rijen van vier of vijf zilveren knopen. Het vest heeft links en rechts een zakje.

Jas

Voor de jas is zwart laken vereist. De jas heeft een frak-model: voor kort en achter twee rechte slippen. De kraag dient aan de achterkant breed te zijn. De jas heeft twee knoopsgaten en twee rijen van twee knopen. Die worden echter nooit gebrtuikt, want de jas wordt open gedragen. Ongetwijfeld om het vest en de sieraden, waarover later, te kunnen tonen.

Hoed

Tenslotte de hoed. Die lijkt op een hoge zijden, maar hij is dof.

De sieraden van de heer

De heer dient in het bezit te zijn van een zilveren zakhorloge met
dito ketting. Het moet een antiek uurwerk zijn, dat met een sleuteltje opgewonden kan worden. Het wordt opgeborgen in het reeds genoemde zakje in de broek. Aan het horloge zit een ketting. Daarvan kunnen twee soorten gebruikt worden: de signettenketting of de chatelaine- oftewel dubbelhorlogeketting. Signetten zijn zegelstempeltjes. Twee signetten zijn samen met de horlogesleutel aan de ketting bevestigd, die vast zit aan een lusje in dat zakje, maar er verder buiten hangt.